Verhalen
 
 

Home
Zomerberichten
Vertellen
Verhalen
Spreekvaardigheid
Schrijven
Publicaties
Links
Agenda

 

 

Natuurlijk schrijf ik ook verhalen, maar het liefst vertel ik ze. Hier enkele verhalen die ik eerder verteld heb.

 

 

IN DE TIJD

 

‘Zie je dat opa?

Die van mij zijn nog gloednieuw!’

-zijn kinderhand

 

Mijn buurjongetje van zes komt bij me staan. We schuiven wat met de dingen op tafel. Dan legt hij opeens zijn handje naast die van mij. ‘Moet je zien, mijn hand is nog gloednieuw’, zegt hij. Voorzichtig gaat zijn vingertje over de aders die bij mij een miniatuur van boomwortels vormen.

Zijn handje nog ‘gloednieuw’… zegt een kind dat zo? Vader is technicus en doe-het-zelver. Af en toe hoor ik kloppen, schuren en boren bij de buren. Als kleine
Midas oversteekt neemt hij zijn plastic terreinwagen mee, die hij dan, met afstandsbediening, door ons weelderige gras stuurt: voor wildernis moet hij hier zijn.

Kan het zijn dat in zijn prille wereldbeeld de dingen niet zozeer oud worden, maar stuk gaan? Dat iets ook kan slijten - of oud worden - waardoor het binnenwerk zichtbaar wordt, zoals bij een mensenhand, verrast hem. Hij is geroerd dat zoiets met mij gebeurt. Ik ben een soort opa voor hem.

 Maar, zou mijn eigen kleinkind een ander woord gebruikt hebben, vraag ik mij af? Het kan toch ook zijn, dat zij de aders op mijn hand niet eens had opgemerkt,  zo ‘technisch’ is zij niet.

Ze zit wel op turnen. Eerder vraagt zij:

 

‘Kan jij dit opa?’

Van onder kijkt ze me aan

zij kan op haar handen stáan!

 

HUTTENBOUWERS

 

Neergestreken.

Ik woon nu in een kinderrijke buurt. Terwijl mijn eigen volwassen kinderen af en toe een weekend neerstrijken, ontstond na echtscheiding en verdere alleengang,  contact met de buren. Mijn tuin blijkt aantrekkelijk, want verwaarloosd, voor kinderen en egels. Vogels ook veel.

Kinderen kunnen ongelooflijk kletsen. Hebben ze de kat lang genoeg uit de boom gekeken, dan barsten ze los. Vaak over de school, bijvoorbeeld over wat ze daar voor tekenspullen hebben als ze van mij papier en kleurpotloden krijgen van mindere kwaliteit.

Maar je hebt er ook zwijgertjes tussen, die meteen beginnen te tekenen, en dan opeens weer weglopen met de tekening, naar huis. Het is zomer. ’s Avonds zitten een paar van die kleine kabouters soms tot in de schemer op het hekje van mijn voortuin; twee bielzen hoog; zij drie. Een hangplek voor kleuters is het geworden. Ze voeren geheimzinnige gesprekken, net als ikzelf , vroeger.  Maar ik luister ze niet af. Een eigen wereld hebben ze, parallel aan de onze. Ze hebben al privacy.

Een schoolvrije middag. Twee buurkinderen ruimen mijn houtschuurtje leeg, ik zie het gelaten aan. Nog geen zin om mijn nieuwe plek helemaal in bezit te nemen, zo alles voor mezelf. Er is een buurkat, die me voorbijloopt alsof ik de indringer ben, niet zij (of hij). Ik vermoed dat hij (zij) bij de kinderen hoort die nu al het gezaagde hout voor mijn open haard in kisten en dozen doen. Ik hoor ze denken: dat vindt-ie goed, als we het maar netjes doen. Een oud gordijn wordt met duimspijkertjes tegen de open voorkant getimmerd. ‘Binnen’ dient een veilingkist als tafel… dan gaan de grootste houtblokken ook weer naar binnen, het zijn nu stoeltjes, begrijp ik. Een jampot wordt een kostbare vaas. Langs de bovenrand van de schuur komt een guirlande van kippenveren. Tegen de muur worden, eveneens met plakband, boombladeren bevestigd: schilderijtjes, vermoed ik.

Ik schrijf, en houd een meeuwenoog gericht. Af en toe moet ik mijn computer even in de steek laten en naar buiten gaan om een ruzie te beslechten. Het gaat om het eerlijk verdelen van bouwmateriaal. Maar verder praten ze zacht terwijl ze bezig zijn, meer tegen zichzelf dan met elkaar, lijkt het. Een verbale begeleiding van elke handeling. Kindervertelwoorden.

Daisy van de overkant heeft haar eigen hut, vlak naast die van de andere kinderen. Gedecideerd als haar moeder, lost ze dingen op. Ze is te dominant voor de anderen, maar maakt daar geen probleem van. Ook haar broer Jurgen heeft zijn persoonlijke hut, met veel tierelantijnen, aan de andere kant van de tuin, onder het afdakje voor fietsen.

Mijn fiets staat nu tegen de muur.

De meiden zeggen wel eens mietje tegen hem. Ik heb ze verteld dat er mannen zijn als Jurgen, die het heel ver schoppen, kapper worden of diplomaat of zo. Ze waren onder de indruk.

 

Wat voor mij best telt, is dat kinderen je oud zijn waarderen; je hebt nog de macht om iets te geven of ze te onthouden.

Een kind roept: ‘Mogen we een stroopwafel? Nee, liever niet die van de Groene Winkel, heb je nog van die slechte?’ Ik weet dat ze die lekkerder vinden, en over smaak valt niet te twisten, zeggen we zelf, maar ik ben toch weer geschokt. Zeker, het is een tijd van overvloed. Eten wat de pot schaft is kul voor deze kinderen. Er is nauwelijks nog sprake van één pot: er zijn koelkasten vol kant en klaar voedsel en drinken. Dol zijn op tomatensoep en echte tomaten vies vinden, dat is van nu. Geplet paard in de vorm van rookworst lusten, maar gruwen van rauw vlees, hoort bij de Albert Hein cultuur: onze Walt Disney op voedsel- en drank - gebied.  Geen sinaasappels meer eten vanwege dat lastige pellen, maar precies weten hoe je die grappige sluiting van het sappak openmaakt: ze leren het van ome Albert.

‘Heb je chips?’ ‘Ik met paprika.’ ‘Nee, ik met van die met ribbels’.

‘Mogen we iets drinken?’ Drie of vier alleraardigste buurkinderen op een zomermiddag. ‘Ja hoor’. En dan meteen: ‘ik lust geen appelsap’. ‘Geen appelsap?! Hoezo niet?’ ‘Het is smerig, goor, ik word er misselijk van’. (Later zal een moeder me vertellen dat zij als kind ook misselijk werd bij de naam appelsap alleen al; die weeë smaak . . .).

‘O. En jij?’

‘Ik wil sinaasappelsap. Alleen sinaasappelsap. Van appelsientje, uit het pak.’

‘En ik ijsthee’.

‘En ik perzik-ananas. Heb je dat niet? O. Gisteren had je het’.

 

‘Weet je wat? Drinken jullie allemaal maar eens water’.

‘Ik hoef niet’.

‘Ik heb ook geen dorst. Ik ga wel spelen. Geeft niet hoor. Ik drink straks thuis’.

 

Dat is nog het moeilijkst om te accepteren; dat ze zoveel meer hebben, en dus ook, waarschijnlijk terecht, meer kunnen vragen of zelfs eisen dan wij, oorlogskinderen. Werelden van verschil. Maar het lukt.

 

Stemmen klinken vanuit het groen. Ik zie een armpje, en nog een. Alsof er kinderen aan de takken groeien. Het kan zomaar opeens dat de ‘klimboom’  dient als toevluchtsoord voor hun dromen. Ze proberen ook daar een hut te bouwen, en worstelen met een plank die telkens naar beneden valt. Ik moet blijven opletten dat er niemand onder staat - schrijven kan wachten.

Vreemd, dat ze hutten willen in de zomer; dat ze dan soms ergens in willen kruipen, juist als moeders verzuchten ‘ga toch in de zon spelen’.

Misschien omdat de zomer de wereld zo groot doet lijken. Hun eigen wereld- in- het- klein willen ze daar dan inzetten, grootdeels gemaakt van fantasie.

Een klein meisje trekt lijnen in het zand en verklaart het stuk erbinnen tot ‘hut’. Een jonge kat heb ik wel eens in een lege doos zien kruipen; of, als ze nog heel klein is, in je schoen. Een eigen huis: dat alvast kunnen nabootsen, is dat wat hen drijft?

En ik bedenk dat volwassenen nog steeds hutten maken, al heet het anders. Het tweede huis, het werkhok of het schuurtje, de eigen kamer als oplossing  (in plaats van een echtscheiding).

Niet te vergeten de auto. Onze rijdende hut. En onze vele, vele onzichtbare hutten, schulp genaamd.

En voor wie geluk heeft: regelmatig een stukje in een tijdschrift kunnen plaatsen als columnist, is dat niet ook een hutje? Een hutje van papier.

 

Een andere middag. Annemieke van de buren komt vragen of ik met haar wil hinkelen. Ben ik te zwak om nee te zeggen? Ze heeft het hele parcours al getekend. Zij begint. Het duurt lang voor ik toch echt moet zeggen dat ze af  is. Zelf ben ik voortdurend af, ze ziet dat heel scherp. Als ik tegenwerp dat mijn schoenen niet in haar hokjes passen zegt dat ik dat zelf moet weten. Gered ben ik pas als ze wordt geroepen om te eten. Ik herinner mij hoe het klonk als ik geroepen werd.

 

Ook als het winter is, duiken ze weer op:

‘Max, als je Sinterklaas ziet, wil je hem dan zeggen, dat als hij een letter wil geven, dat ik alleen puur lust?’ 

’En ik alleen melk!’

Ik moet er van knarsetanden. Bij Albert Hein vind ik beide soorten letter.

 

                                                            *

 

Nu zijn ze twaalf.  De twee waar ik vaak op pas staan zich - vroeg of laat voor die leeftijd, dat weet ik niet - boven  op te maken. Eindeloos. Nog kort geleden, was het een of twee weken? waren ze net zo in de weer, maar, toen nog met een schminckdoosje van bij Bart Smit. Ook prullerige sieraadjes konden toen nog dienen. Nu zijn er opeens “echte” opmaakspullen: ik neem aan, van hun moeders geleend. Vanavond hebben ze een klassefeest.

Zachtjes praten ze met elkaar over wat ze zullen aandoen.

Ik ben vergeten hoeveel tijd mijn zussen hier vroeger in staken. Een vak apart, zie ik nu! Zich mooi maken. Joris van de overkant komt hier ook nog altijd spelen, met z’n drieën mogen ze af en toe clubhuis spelen in het logeerkamertje, nu het buiten koud is. Toch best een wat meisjesachtige  jongen,  hij is ‘anders’ bezig. Hij geeft adviezen, áls hij er al bij mag zijn, en nogal eens hoor ik, dat ze hem verjagen.

Het duurt nu al een uur. Dan zijn ze klaar, ze komen heel subtiel showen. Ze vragen al niet meer, ‘hoe vind je ons’, of ‘hoe zie ik er uit’, nee, ze lopen achteloos aan me voorbij, maar door hun ooghoeken houden ze me in de gaten. Ik blijf aan mijn computer zitten en vraag zonder op te kijken of het gelukt is. Ja hoor, roepen ze onverschillig. Oogschaduw, lipstick, eyeliners, het zit er allemaal op, zie ik als ik toch opkijk en ze even aandachtig monster. Ik knik goedkeurend en doe weer mee met de gespeelde vanzelfsprekendheid. Met dit mooie weer en de lange lichte avond zouden ze anders nu buiten spelen. Ik moet dit nog even verdragen, het is  te vroeg om ze weg te brengen naar het feest.

Dan opeens is er de oplossing voor de wachttijd: playbacken, op een cd van Britney Speers (of waren het de Spice girls?). Wat een gunst: ik mag, nee, ik moet kijken. Ik ben in mijn eentje het hele publiek.

 

Twee of drie jaar later ontmoet ik een van hen in de winkelstraat; althans, een groot meisje groet me wat verlegen, ik weet niet zeker of ze het is die ik meen te herkennen. Als het ten slotte tot me doordringt – nee, dit is geen make-up meer uit de speelgoedwinkel – is het moment voor een gesprek voorbij.

 

HOOG TIJ

 

Die gewijde stilte na de kerst was er toch weer, even.

Dan knalt het er op los, ook ‘s nachts.

Wakker schrikken. Iemand spurt weg. Liggend je schouders ophalen

 

kreten in de nacht

van het huis om mij heen

zwijgen de stenen

 

Oudjaarsochtend. Uitslapen bij ochtendlicht. Later dan gewoonlijk de hond doen. Hij gaat tekeer tegen het vuurwerk dat nu van alle kanten komt. Kijkt omhoog, blaft vervaarlijk tegen de hemel. Dapper is hij nu. Hij zal ze…

Zijn mens legt uit dat ze dit allemaal doen om boze geesten te verjagen.

‘Maar dit zíjn toch de boze geesten?’ lijkt hij te vragen.

’s Avonds tegen twaalven, als het tumult goed losbarst, kruipt hij jankend onder de bank. Zelfs, wat hij normaal niet zou doen, óp de bank, en óver de mensen heen. ‘Hou me vast! Verstop me!’ Een doodsbang kind is dan de hond.

De man wil hem tot de orde roepen, maar de vrouw troost het dier, bij haar raakt dit een diepere snaar.

Nu kijkt de man vanaf het balkon naar het razende vuurwerk. Indrukwekkend, die exploderende sterren. Lichtkogels… Lachend weet hij dat het toch wel vrede is.

Boven alles, niet exploderend, ziet hij de maan.

 

Nieuwjaarsochtend. Onwaarschijnlijk stil. Geen levende ziel… Ja toch, buurman veegt de straat. Hij woont op de hete hoek, die nu is afgekoeld, gesust in ochtenddauw. Lege flessen, hulzen en verpakkingen verzamelt hij in een vuilniszak, geduldig.

Hij staart naar het gesmolten wegdek, met doe-het-zelversblik, maar nee.

Vroege jongens zoeken nog naar bruikbaar vuurwerk: we zijn er nog niet.

Maar de dagen lengen.

 

 

GEDACHTEN LEZEN

 

’s Ochtends in de trein lees ik gedachten in plaats van de krant. Ik bevind mij in de tweede klas op het traject Utrecht – Amsterdam. Meezwaaiend over de wissels houd ik mij staande door een stang te omklemmen, met één arm behoedzaam tussen twee medereizigers door, andere handen zorgvuldig ontwijkend. Het onbedoeld aanraken van iemands hand is zelfs in deze omstandigheden te intiem: ‘sorry’ zeg je dan.

 

Mensen onderweg schikken zich naar de ruimte die er is. Je kunt, als gevolg van de factor O (omstandigheden) met je hoofd drie centimeter van een andermens’ lichaam verwijderd zijn zonder dat die een spier vertrekt. In de trein worden de aura’s strak om het lijf getrokken, als nauw sluitende, onzichtbare ruimtepakken. In Nederland hoef je doorgaans niet bang te zijn voor ongewenste of zelfs maar onbedoelde handtastelijkheden. Ik heb het niet onderzocht, laat staan getoetst: het kan natuurlijk ook dat ik niet in aanmerking kom. Maar hoe zit het met de handen in ons hoofd; de gedachten? Die kunnen gevoeglijk – en onwelvoeglijk - in het rond tasten. Er is geen verweer tegen. Evenmin trouwens als tegen gedwongen meelezen! Iemand die met de krant jouw raamuitzicht beneemt, je laatste vrijheid vanaf je paal. Je zegt niet ‘Laat zakken die krant,  mijn ogen smachten naar poldergroen’. Je leest mee aan de achterkant. Maar één ding kunnen ze je, zelfs in de trein van acht uur ’s ochtends, niet afnemen. De vrijheid, gedachten te lezen. Dat gaat vanzelf als je een beetje helderziend bent. Of helder voelend; of helder ruikend. Voorbeeld. Naast mij bungelt een man aan de paal (of stang), die ik nog zó naast zijn vrouw zie liggen, zonder das, jas en tas. Bedlucht. Zij is overigens blij geweest dat hij eruit moest. Ze wilde nog wat alleen liggen. Ze doen het allang niet meer, het zit hem dwars, hij wil het er vanavond over hebben. De man die een klapstoeltje heeft bemachtigd en met de jas aan op zijn laptop zit te tikken, heeft andere zorgen. Hij wisselt vaker van partner dan van baan, daar zit meer groei in, denkt-ie. Duurzame relatie? Kan wachten. De actetas met bronzen gesp van de vrouw in colbert die naast hem staat, lijkt die opvatting te ondersteunen, maar ik ‘lees’ dat zij toch liefst combineert: carrière mét relatie, dat hoeft elkaar niet in de weg te zitten. Ik probeer het met haar eens te zijn, maar voel verzet: bij haar?? Bij mezelf? Dan ‘lees’ ik alsnog: “komt puntje niet bij paaltje, dan mannetje maar vóór baantje” – gedecideerd. De man die mijn kant van de aangrijpstang deelt, bestudeert ondertussen haar roklengte met kleermakersoog.

Projecties, vooroordelen? Tuurlijk. Maar ik krijg die beelden binnen, of gedachten, en geef ze voor een keer prijs. Opeens voel ik ogen in mijn rug. Iemand staat míjn gedachten te lezen. Een ‘meelezer’. Als ik mij half omkeer, als om wat gemakkelijker te gaan staan, zie ik door mijn ooghoek dat hij het zelf niet kan, dat gedachten oppikken, maar wel via mij. Wat onfatsoenlijk! Dat is nou echt pikken. Ik stel gelaten vast dat ik toch ook alweer de zijne lees. En hij dát weer. Zo gaan we nog even door… Tot: we opeens naar elkaar glimlachen. Echt contact.

Gepubliceerd in Koörddanser, maandblad voor spiritualiteit.

 

DE WOORDENBOOM

Na het ziekenbezoek haal ik mijn kleinkind op van school. Haar woorden zijn nog alsof ze net geplukt worden. Alles klinkt als voor het eerst. Ze vertelt. En ze vraagt nog bij elk nieuw woord wat het is. ‘Wat is opschieten opa?’ Ik denk aan zeilen, maar hoe leg je dat uit? Als we thuis zijn belt oma, mijn ex. Eva houdt haar knuffeltje bij de telefoon, beertje moet ook iets zeggen. Beer kan oma horen, en bromt ook wat terug. Haar knuffels hebben namen, en stemmetjes. Kleine Woordenschat verbetert mij als ik er een verkeerd doe. ‘Zo doet Varkentje niet, dat weet opa toch?’ Ze noemt dingen in de kamer op. Dan begrijpt ze voor het eerst, dat oma ze niet kan zien. Opgewonden tovert ze met taal, plukt woorden als rijpe kersen.

Mijn vriend Rob moet kennelijk wachten op de woorden, of ze nog willen rijpen. Hij heeft een hersenbloeding gehad. Het antwoord komt, ik weet dat, ik wil nog veel met hem bespreken. Hij klinkt bedachtzaam. Het is het effect van de lange, voorafgaande stilte. Priesters spraken zo in de mis. ‘Hoc-est-enim-mei’:  dit is mijn lichaam. Tja, dat van Rob wil niet meer zo. Breedsprakigheid verdampte tot ons bijna zwijgend spreken.

Maar het is ook prettig om zo bij elkaar te zitten. Bijna niets meer kunnen, en toch in intiem gesprek zijn: een troost bij zijn onbeschrijfelijke pech. Ik heb het zo wel eens eerder gewild. Elkaar de tijd gunnen. De ruimte nemen voor een afweging. Maar ons gewone leven was te gehaast.

Ik herinner mij de opmerking van een collega uit die tijd, na een docentenvergadering: ‘Iedereen praatte vandaag weer te veel en te vlug. Je zou het van jezelf verdacht moeten vinden als het zo snel gaat. Al die woorden die maar voor je uit vliegen.’

Mijn kleindochtertje kan het nog niet teveel zijn. Die praat veel, sappig en duidelijk. Ze leert er mee omgaan. Hoe je al pratend intiem kunt zijn bijvoorbeeld. Oma is ziek en gaat binnenkort naar de hemel. Ze vraagt of ze oma daar nog kan bellen. ‘Bellen niet, maar praten wel’, zeg ik. ‘Dan zal ik zachtjes praten’, fluistert ze, ‘dat oma het goed kan verstaan’. 

Gepubliceerd in ‘OpSpraak’, literaire internetuitgave van de Stichting Beeldspraak, zomer 2008.

 

 

PAARDENSPECULAAS

Sinterklaas is, als hij werkelijk verschijnt, nooit zo mooi als de herinnering. Zou dat ook zo zijn met de heilige maagd? Ontnuchterend misschien, zoals het vakantieoord niet dat is wat je er bij de folder van hebt voorgesteld. Daarom durf ik te zeggen dat Sinterklaas als herinnering mooier is dan in het echt. Wij vierden ’s ochtends Sinterklaas in Limburg. Een Rijnlands gebruik was dat, om de ‘teleur’ te zetten, voor elk kind een. Die borden lagen dan ’s ochtends als we uit de kerk kwamen vol met het bekende snoepgoed, speeltjes en tekenspullen.

Het zinderend geluk en de blije opwinding daaromheen zal ik nooit vergeten.

Pakjesavond was een Hollandse gewoonte die snel terrein won toen we groter waren.

Mijn meest dubieuze Sinterklaasherinnering is, dat mijn oudere broer, die niet meer geloofde (maar dat wist ik nog niet) tijdens ons brave kerkbezoek de hele trap (er waren er drie, de zoldertrap meegeteld) vol paardenvijgen had gelegd. (Gehaald bij de boer).

Ik was opgetogen over zoveel echtheid. Maar kon niet begrijpen waarom mijn moeder, anders toch zelf ook zo blij op Sinterklaasochtend, nu  boos was. Daar kon dat paard toch niks aan doen, als het moest? Toen ik dat zei, viel mijn broer mij snikkend van het lachen bij. Zo’n paard moest je dat niet kwalijk nemen. We waren het eens, dacht ik.

Gelukkig smaakte de gevulde speculaas er niet minder om.

 

sinterklaasavond

gehinnik in de schoorsteen

of is het de wind

 

Gepubliceerd in Vuursteen, blad voor haiku in Nederland en Vlaanderen, winter 2008.

 

                                               

FRISBEE-CONTACT

Hoe wonderlijk verliep het contact met mijn vriend Rob na die laatste, fatale attac. We kwamen nog maar tot een paar zinnen per uur. Geholpen door onze beroepsmatige luisterervaring, tastten we vervolgens de ruimte af die, tussen de woorden, in het gezamenlijk zwijgen ligt. Soms voelde ik daarin een sterkere nabijheid dan in al de voorgaande jaren van moeiteloze, vanzelfsprekende vriendschap.

Ik moet daar aan denken nu ik met mijn geliefde op een aarden richel in het zonnetje zit. De wandeling heeft ons gebracht aan de rand van een grote open plek in het bos. Ik kom er graag. Ook hier is er contact op afstand. Mensen en kinderen in de verte bewegen als poppetjes aan onzichtbare draadjes. Je bent zo ver van elkaar dat het voornamelijk de hond is die voor de verbinding zorgt. Die stuift naar beneden, waar water staat en waar andere honden bezig zijn met hun onnavolgbare gezoek en gesnuffel. Je ziet dan in de verte hoe de eigenaars van die andere honden al of niet wat aandacht besteden aan de jouwe. Soms wordt ze hartelijk beklopt, de blik gaat even zoekend omhoog om te kijken bij wie deze charmante labradorse hoort, soms ook wordt zij als stoorzender beleefd en bij de eigen honden weggejaagd.

Ik speel met het uitzicht. Zelf even naar beneden lopen en terugkijken. De ander ziet je al na tien meter als veel kleiner.Toen we echt nog klein waren deden we dit spelletje op hellingen in Limburg, waar ik opgroeide. Spelen met afstand en nabijheid. Ook met geluid. Een plek opzoeken waar je de echo kon horen. Op deze zandverstuiving van de Utrechtse Heuvelrug klinken de stemmen wonderlijk helder, alsof het zand ze geleidt. Je hoort mensen met elkaar praten die daar eigenlijk te ver voor zijn. Deels is deze plek door mensenhand gevormd, toen ze zand nodig hadden voor de nabijgelegen autoweg, waarvan het eeuwig ruisen soms wordt overstemd door dat van de bomen.

Vanaf onze hoogte hebben we een aardig uitzicht over de brede zandvlakte. Om het meertje dat het midden ervan vormt zie je een groene rand van hoever het water komt bij natter weer. Het doet me denken aan een oase. Vliegend boven Noord Afrika heb ik zulke oases gezien, in de grote zandzee die Sahara heet.

Deze lijkt even groot, omdat je er dichter bij bent, alles op een kleinere schaal. Omdat de honden hier los mogen draaft een enkele keer een onbekende hond met de onze mee tot waar we zitten, zoals kinderen op vakantie wel eens een nieuw onbekend snuitertje mee naar hun moeder nemen. Hij snuffelt even en rent dan net zo hard weer terug naar zijn eigen mens. Iemand gaat stapvoets met zijn paard door het water, zodat het beest kan afkoelen.

Een paar zondagsvierders zijn in de verte aan het zweefborden. Hun stemmen klinken af en toe op, soms blij, soms teleurgesteld als ze misgrijpen. De frisbee ligt mooi op de lucht, als een meeuw die laag overvliegt, tenminste als je hem met een bekwame polsbeweging naar elkaar toe gooit. Een schijnbaar doodsimpel spel, maar met een verrassend sportieve kant, want het zweefbord maakt onverwachte zwenkingen, vaak op het laatst, net voor je het al meent te grijpen. Ik zie dat de honden het ook geweldig vinden, het lijkt op een vluchtend konijn, met net zulke plotse zwenkingen. Een enkele hond geeft het niet meer af, zie ik, tot de mens echt boos wordt. Honden, hun mensen en hun kinderen, alles speelt op deze zondag, los van asfalt, hek of riem, auto of verplichtingen. Een vrij en gelukkig koekjestrommeltafereel.

 

Jaren geleden was ik ook op zo’n plek, maar dan in de Zwitserse bergen van het Engadin. Het was een soefiekamp. In een grote witte tent vonden bijeenkomsten plaats, en lange meditaties, verhalen en rituelen. Buiten werd gezamenlijk gekookt en gegeten aan lange schragen. Ook daar werd veel gezwegen, tussen de dagelijkse mediaties door. Je deed alles samen. Toen ik een keer met een veel te zware soepketel van een door regen glad geworden hellinkje afgleed (ik had de tegenwoordigheid van geest de ketel vol gloeiendhete soep voor me uit te gooien)  werd de troep zwijgend opgeruimd. Voor wie daar niemand kende zoals ik, betekende het daar toch meer eenzaamheid dan innigheid. Tijdens de bijeenkomsten waren er rijdansen en gezang, en soms omhelsden we elkaar, dat hoorde bij het ritueel. Er was georganiseerde gezamenlijkheid. In de tussentijden maakten mensen een wat eenzelvige indruk, als op een groot station waar ieder op zijn eigen trein wacht.

Mijn eenpersoons sheltertje had ik er op een richel gezet, waarvan ik op het eind van mijn verblijf pas begreep dat ik er elk moment af had kunnen spoelen, het kon er eind augustus al flink spoken. Er was niemand om je daar op attent te maken. Het was een plekje met schitterend uitzicht. Beneden mij een diep dal, waar wolken uit opstegen als uit een reuzenkookpot. Boven mij de bergwand, waar ’s ochtends de zon bovenuit kwam en wat extra scheerlijnen van licht rond mijn tentje schoot. Misschien heeft dat er voor gezorgd dat mijn slaaprupsje toch is blijven staan.

Ook hier was de gezamenlijke ontmoetingsplaats een grote open plek tussen de richels. Ik stond, of zat er doorgaans in m’n eentje, en genoot van het uitzicht op de bergwanden die ons omringden. Overdag droegen de bergen hun wattige wolkenpakketten, ’s avonds werden de zwijgende wanden diepzwart, zonder verschil met de kleur van de nacht.

Uren zitten en naar de bergen kijken, elke dag weer: andere zonderlingen gaan je dan opvallen. Vooral twee  mannen, kennelijk ook alleen, zag ik nogal eens in de verte staan, of zitten, als uitgeknipt uit de papierdunne witte lucht van een zonnige maar koude midag. Ik vroeg me af wie ze waren, wat ze in het gewone leven deden, en wat hen hier bracht. Waren het ook soefie’s, of kennismakers,  shoppers zoals ik? Tot een gesprek, of enige vorm van kennismaking kwam het niet. We zaten geen enkele keer naast elkaar aan tafel of in de grote gemeenschapstent; het toeval kwam niet te hulp. Of misschien heb ik wel eens naast een van hen gezeten, maar spraken we niet. Zwijgend hebben we elkaar dan de aardappels aangereikt.

 

Tot de dag van vertrek. De meeste mensen zijn al vroeg verdwenen, kennelijk met eigen vervoer. Het zijn overwegend Duitsers die weer naar hun werk moeten in de Heimat.

Het kamp wordt afgebroken door ervaren vrijwilligers, verrassend snel, als bij kermis, de overblijvende gasten zijn al de berg uitgelopen langs een pad dat naar beneden gaat, tot aan een chalet dicht bij de weg, waar je een nacht kunt logeren en ook iets eten. Praktisch voor de mensen zoals ik, die pas later worden opgehaald of naar een treinstation moeten.

En kijk, daar zijn nog de twee mannen. Kennelijk ook in de wachtstand. Ze  houden zich bezig met zweefbord gooien op het grote vlakke terrein bij het chalet, waar kennelijk in het hoogzeizoen autobussen rangeren. Zwijgend als altijd – ik heb nooit geweten of zíj onderling wél met elkaar spraken – werpen ze het zoevende ding naar elkaar toe, over een vrij grote afstand. Feitelijk net zo groot als de afstand van waaruit we elkaar doorgaans konden zien in de berg, turend over het dal dat onze tenten scheidde; maar hier is het vlak, dus kunnen ze zweefgooien.

Het lijkt of ze elkaar niet zien, alleen het gele zweefbord in het oog houden. Er wordt ook niet geroepen, zoals toch gebruikelijk bij dat soort bezigheden: luister maar eens naar de kreten op een tennisbaan. Zij spelen muisstil.

Ik sta er bij en kijk er naar. Open, zonder enig teken of stilzwijgende vraag, zweeft de frisbee opeens mijn kant uit. Zoals je dat weet als jongens van elkaar (maar wij zijn oudere mannen)  zet ik snel mijn reistas neer, en in een snoeksprong vang ik het bordje net op tijd, en speel het terug. Dan zij weer. Dan ik weer. Ik wil nog wel zeggen dat het zo wel genoeg is maar dat gaat niet. Ik ben, stilzwijgend, opgenomen in hun spel.

Zo hebben wij een goede twintig minuten gespeeld met elkaar, de onbekende mannen en ik. Toen stopte een auto, en nam een van hen mee. Hij zwaaide een keer zonder op te kijken en vertrok. Zwaaide hij ook naar mij? Dat weet ik niet zeker.

De ander slenterde weg in de richting van het chalet.

Ik heb ze nooit meer gezien. Nu, op onze zandverstuiving, wijd ik een zondagse gedachte aan dit vreemde stel. Dat zweefbord was, als ik het opving, net uit hun hand vertrokken. Het voelde nog warm. We hebben elkaar dus toch aangeraakt.

(Ongepubliceerd).

 

DE HOND EN IK

Het woord riem is gevallen. Hij zet zijn kop schuin en kijkt me strak aan. Zou dit waar zijn? En ja hoor, we lopen al langs de waterkant, allebei aan de riem maar hij beseft dat niet, blij voortsnuffelend, alsof hij los loopt.   

 

 De wereld van de zintuigen is zijn domein. Hoewel dat verschil ook weer betrekkelijk is. Op een venijnige aftershave-lucht die hier nog in het groen hangt (de voorbijganger is al uit het zicht) reageren we allebei geprikkeld; hij niest en schudt zijn kop. Een voorbijsnerpende scooter wil hij aanvallen… ik eigenlijk ook.

Maar tegen een laag overkomende ballon blaft hij vervaarlijk terwijl ik, te oud om nog te zwaaien, het gevaarte nakijk.

 

  Instincten delen we. Hij begraaft een bot; ik noteer een telefoonnummer dat nog eens van pas kan komen.

 

 

Mijn voorsprong is, dat ik dit alles besef. Overgelaten aan mijn zintuigen, zou ik een waardeloze hond zijn. Zeker, ik vang wel eens muizen, maar stuntelend. Vroeger liet ik ze dan weer los, achter in de tuin, tot me opviel dat ik meermalen dezelfde ving. Hij laat ze, vanuit hun holletjes in de berm, levend bij zich naar binnen lopen. Zouden ze erin trappen omdat het eerst op vluchten in een holletje lijkt?

 

  Ik doe het hem niet na. Als hij doorloopt, moet hij ervan boeren.

 

  De wereld ontvouwt zich als een waaier; wij leven in verschillende segmenten, de hond en ik. Maar van onze belendende percelen staan de vensters open. In zijn segment is nu iets gaande. Met de neus aan de grond volgt hij een spoor, een geurlint, een onzichtbaar patroon.

 

  Het doet me denken aan The Invisible Man, dat lege overhemd, schokkend, spookachtig gesticulerend door de ruimte; het deed de achtervolgers concluderen dat de onzichtbare man daar liep. De hond concludeert nu ook iets, maar wat? Dan valt me op dat hij af en toe naar boven kijkt. Ach, een eekhoorn. Als een krankzinnige rukt hij aan de riem: liever gewurgd dan de prooi opgeven.

 

  Het lukt ons om weer verder te wandelen. Ik zou daarvoor eerst in therapie moeten, hij volgt alweer nieuwe sporen. Leven in het hier en nu, daar is hij veel beter in.

 

  “Ingekeken” geurtjes laat hij liggen voor andere honden… zoals ik kranten achterlaat op een leestafel.

 

   Maar wát hij “leest?” Zijn geurwereld, die zich zoveel verder uitstrekt dan de mijne.

Dat laatste beseft hij niet. We lopen verder, hij en zijn trouwe tweevoeter, in het verrukkelijk misverstand samen op jacht te zijn.

 

 

pratend met de hond

 

kijkt hij  woorden uit mijn mond

 

- een neus voor taal

 

Opgenomen in het boekje ‘Reis door de dag’, korte verhalen van Jac Vroemen, uitgegeven door ’t Schrijverke, ’s-Hertogenbosch.

Verschijnt in OpSpraak nr 39, voorjaar 2009

 

 

Home | Zomerberichten | Vertellen | Verhalen | Spreekvaardigheid | Schrijven | Publicaties | Links | Agenda

Bijgewerkt op 13-Jul-2010

©Jac Vroemen 2010

Foto's het Sprengengebied van de Utrechtse Heuvelrug

 

Website ScotCom